el diccionario inglés - holandés

English - Nederlands, Vlaams

cross holandés:

1. boos boos


Ik ben niet boos, verre van dat zelfs.
Word niet boos.
Ik ben boos op mezelf.
Ik denk dat hij boos was.
Zo gauw als ik hem zag, wist ik dat hij boos was.
Mama en papa worden vast niet boos.
Het antwoord maakte mij boos.
Ik ben boos op mijn vriendin
Dat is waar hij boos om was.
Ik ben bang dat ik je boos zou maken.
Ze was boos op haar zoon.
Jim is boos omdat zijn vriendin hem liet zitten bij hun filmafspraakje. Hij stond wel een uur in de regen op haar te wachten.
Hij zei niets, wat haar boos maakte.
Weet jij waarom ze zo boos is?
De maat is vol! zei de waard boos terwijl hij mijn glas nog een laatste keer vol schonk.

Holandés palabracross"(boos) ocurre en conjuntos:

woordjes hst 7

2. kruising kruising


Toen hij zijn naam hoorde, stond de kruising tussen een teckel en een vuilnisbakkenras op van onder de werkbank, waar hij had liggen slapen op de houtkrullen, rekte zich eens lekker uit en rende achter zijn baasje aan.
Een ongeduldige bestuurder stak de kruising over zonder acht te geven aan het rode stoplicht.

Holandés palabracross"(kruising) ocurre en conjuntos:

4 mavo strange buildings 4